Persberichten Nieuwe golf van acties tegen groei en ontwikkeling van bahá'ís in zuid-centraal Iran


Brussel, 26 januari 2012 – Opnieuw is er een golf van acties gaande tegen bahá'ís in Iran. Deze keer gaat het om een campagne tegen bahá'ís in Kerman, de belangrijkste stad in zuid-centraal Iran. Berichten hieromtrent zijn ontvangen door Bahá'í International Community (BIC), het vertegenwoordigend orgaan van de bahá'ís bij de Verenigde Naties in New York.

De acties passen in de strategie van de Iraanse autoriteiten, die er op is gericht de bahá'ís economisch te ruïneren. Bani Dugal, woordvoerder van BIC, zei dat bedrijfsvergunningen voor bahá'ís in Kerman niet worden verlengd en dat bestaande vergunningen worden ingetrokken. ‘Doelwit is een breed scala aan beroepen’, aldus Bani Dugal. Het varieert van computerverkopers en –reparateurs tot makelaars. Bahá'ís die zich bezighouden met de verkoop van ijzerlegeringen, staal of goud verliezen hun vergunningen. Dat geldt ook voor bahá'ís die voedingsproducten verkopen of gezondheids- en cosmetische diensten aanbieden, zoals opticiens.

‘De autoriteiten gaan zelfs zo ver dat ze vergunningen intrekken van partners van bahá'ís, die zelf geen lid zijn van de bahá'í-gemeenschap’, aldus Bani Dugal. Sinds de Islamitische Revolutie van 1979 hebben duizenden bahá'ís hun baan verloren of hun middelen van bestaan. In 1993 onthulde de Verenigde Naties een memorandum van de Iraanse overheid, waarin een plan werd ontvouwd om de ontwikkeling van de Iraanse bahá'í-gemeenschap te blokkeren. Zo worden momenteel jonge bahá'ís geweerd van de universiteit, maar het is duidelijk dat de autoriteiten doorgaan met talloze andere acties om hun beleid uit te voeren, constateert Bani Dugal. ‘Wij kennen ten minste zestig incidenten, die de afgelopen vijf jaar zijn gerapporteerd, die tot doel hadden de economische vooruitzichten van de bahá'ís in te perken’.

Enkele recente voorbeelden:
- Van 2 tot 12 januari 2012 werd zeventig procent van ondernemingen met een bahá'í als eigenaar doorzocht in Sari en Ghaemshahr (provincie Mazandaran) en een aantal in Gorgan en Gonbad (provincie Golestan). Doel was dingen te vinden waarmee bahá'ís bedreigd of gearresteerd konden worden. De autoriteiten doorzochten zelfs huizen van bahá'ís die vanuit huis werken, in sommige gevallen zelfs meer dan twee jaar nadat zij hun zaken hadden gesloten;

- In juli 2011 ontving de bahá'í-eigenaar van een winkel in Abadan een bericht van de Bond voor Detailhandelaren  en Producenten   van Sierraden, Horloges en Glaswerk, waarin hem werd gevraagd zijn bedrijfsvergunning in te leveren en al zijn spullen binnen vier en twintig uur te verkopen;

- In juni 2011 werd een optiekzaak verzegeld onder het voorwendsel dat de vergunning was gewijzigd en verplaatst naar een nieuwe locatie. Het hoofd van het Bureau Supervisie Openbare Ruimten dat de verzegeling voor zijn rekening nam, zei dat dit gebeurde op last van hogere autoriteiten. De winkel was eerder al eens gesloten door de autoriteiten in december 2008, samen met vier andere winkels van bahá'ís in Nazarabad. Na een juridisch gevecht wist de eigenaar het gedaan te krijgen dat hij zijn winkel op een andere plaats mocht heropenen. Nu is het dus opnieuw verzegeld.

- Na een golf van brandstichtingen in zaken van bahá'ís in Rafsanjan, eind 2010, ontvingen zo’n twintig bahá'ís een waarschuwingsbrief. Daarin stond dat ze een verklaring moesten ondertekenen dat ze geen contacten zouden leggen met moslims of vriendschappen met ze sluiten en dat ze geen moslim-trainees mochten inhuren.

- Begin 2009, in de stad Semnan, nam de vereniging van Vakbonden een verordening aan, waarin stond dat geen enkele bahá'í een bedrijfsvergunning mocht ontvangen. Vrij snel daarna werd een aantal zaken en winkels van bahá'ís in de stad als gevolg van de verordening verzegeld en gesloten.

- Een andere vorm van economische druk overkwam een bahá'í uit Isfahan die, kort voor hij werd ontslagen, aan de Sociale Verzekeringsbank vroeg om aan hem het geld beschikbaar te stellen dat van zijn salaris was afgetrokken voor zijn pensioenvoorziening  Hij kreeg te horen dat dit niet kon, omdat de reden van zijn ontslag het feit was dat hij lid was van ‘de ketterse bahá'í-sekte’. Hij en veertien anderen kregen te horen dat zij werden ontslagen op basis van het wettelijk verbod op het inhuren van bahá'ís. Hun verzoek om teruggave van gelden werd daarom afgewezen.

‘Internationaal recht geeft nadrukkelijk aan dat individuen recht hebben op werk en op het verwerven van middelen voor levensonderhoud, zonder discriminatie’, aldus Bani Dugal. ‘De afgelopen maand stemde de internationale gemeenschap met grote meerderheid voor een VN-resolutie, waarin Iran wordt veroordeeld voor de niet aflatende en steeds terugkerende schending van mensenrechten. De  tijd dringt dat Iran zich realiseert dat het niet langer door kan gaan met het onderdrukken van eigen burgers en te denken dat dat niemand opvalt’.

Meer informatie:

Nationale Geestelijke Raad van de bahá'ís van België
Bahá'í Centrum België
Evenepoelstraat 52-54
1030 Brussel

Contactpersonen media:
Toos Verhagen 0473/61 37 77
Guido Cooreman 011/22 66 55

Hoofdnummers:
tel: 02/648 70 21 en 02/648 53 60
fax: 02/646 64 61


Het Bahá'í-geloof
Het Bahá'í-geloof wordt beschouwd als de jongste wereldgodsdienst. Het geloof is in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan in Iran. Het verkondigt de eenheid van God, de eenheid van godsdienst en de eenheid van de mensheid. Het is op dit moment na het christendom de meest wijd verbreide godsdienst ter wereld. Wereldwijd zijn er naar schatting meer dan vijf miljoen bahá'ís.
Aanvullende informatie is te vinden op www.bahai.org.